We staan hier aan de Wilgenhoekweg. Ooit een eenvoudige zandweg. Ter hoogte van de achterste schuur van de boerderij Luyksberg bevond zich hier tot 1834 de tweede ‘berg’ van Serooskerke: de Luyksberg, toen nog zes meter hoog.
Hij stond in de weg en werd afgegraven. De grond werd gebruikt om akkers op te hogen. Bij het afgraven werden verschillende vondsten gedaan door de Zeeuwse amateur-archeoloog jonkheer C. C. Rethaan Macaré en de eerste hoogleraar archeologie van Nederland, professor C.J.C. Reuvens. Deze laatste overleed helaas voordat er een wetenschappelijke publicatie van de vondsten gemaakt kon worden. Zijn compaan zette het onderzoek voort en concludeerde in 1858 dat de Luyksberg als ‘een heilige offerplaats der Germaansche of Druïdische eerdienst’ beschouwd kon worden. Een en ander voornamelijk gebaseerd op ‘overlevering’ en zelfbedachte theorieën over plaatsnamen. Hierin werd zelfs Noordhout teruggebracht tot een verbastering van Niorthout, Niort, Neptunus van het Noorden en tevens god van het vuur.
Een steen van Bentheimer zandsteen, 180 bij 70 bij 37 centimeter, lag in 1858 blijkbaar al naast de kerktoren, toen de Luijksberg nog afgegraven moest worden. U bent hem eerder op de route tegengekomen bij de Johanneskerk. Volgens Macaré moest die ook wel van de Luyksberg afkomstig zijn en jawel, na de publicatie van zijn onderzoek ‘kwam hem ter ore dat volgens de overlevering die steen van de top van de Luyksberg afkomstig was’.
Vandaag de dag zou een onderzoek als dat van Macaré weinig kans maken om als betrouwbaar betiteld te worden. Zelf hield hij ook wel enige slagen om de arm overigens. Waarschijnlijker is het dat ook de Luyksberg er ooit uitgezien heeft als op dit plaatje: de berg van Lellens in Friesland. Een motte met een mottekasteel. En wie zal het zeggen: was dit dan het kasteel van Heer Allart?